Er gebeurt iets vreemds op de financiële markten en bijna niemand praat erover. De onzekerheid in de wereld is sinds begin 2025 zowat verdubbeld. Handel tussen landen raakt meer versnipperd. Geopolitieke blokken trekken muren op. En klimaatrisico’s nemen toe terwijl verzekeraars zich terugtrekken uit eigendommen die blootstaan aan klimaatschade.
Al deze trends zaten er al jaren aan te komen. En toch is de MSCI World, een belangrijke wereldwijde aandelenindex, sinds 2008 maar liefst verdrievoudigd, terwijl de wereldeconomie in diezelfde periode met ‘slechts’ 50 % groeide. Daar lijken de financiële markten zich dus weinig van aan te trekken. Dat zien we beter niet als geruststellend, integendeel: het is juist een serieus probleem.
Drie steunpilaren die langzaam afbrokkelen
De kalmte op de financiële markten rust op drie steunpilaren. Maar geen van die drie is een teken van economische stabiliteit.
De eerste pijler is concentratie. De tien grootste aandelen vormen nu samen 25 % van de MSCI World index. In 2015 was dat nog ongeveer 9 %. Als een index zo zwaar leunt op een paar bedrijven, zegt die index steeds minder over de brede economie. Hij zegt alleen iets over zeven techbedrijven en over het verhaal rond artificiële intelligentie (AI). Als de Magnificent Seven stijgen, stijgt de index mee. Ook als veel andere bedrijven nauwelijks groeien.
Die sterke concentratie is op zichzelf ook een teken van een falende markt. De hoge waarderingen van deze bedrijven zijn voor een deel gebaseerd op hun grote (verwachte) winsten, maar die winsten kunnen ze enkel maken door hun buitensporige macht over hun markten.
De tweede pijler is de steun van centrale banken. Sinds 2008 weten financiële markten dat verliezen worden opgevangen omdat centrale banken altijd klaarstaan met steun. De balansen van de Amerikaanse en Europese centrale banken groeiden samen van minder dan 2 biljoen dollar naar meer dan 15 biljoen dollar op het hoogtepunt. Het risico verdween daarmee niet; het werd alleen naar de achtergrond gedrukt. Daardoor zijn beurzen gestopt met vragen of een belegging echt zijn prijs waard is. Ze zijn gaan verwachten dat centrale banken tussenkomen ingeval van falen.
De derde pijler is dat de financiële sector steeds meer geld in zichzelf rondpompt. Wereldwijd gaat er nu 410 biljoen dollar in de financiële sector om. Dat is ruim drie keer de omvang van de wereldeconomie en dubbel zo veel als tien jaar geleden. Het vermogen dat wereldwijd wordt beheerd, kwam in 2025 uit op 147 biljoen dollar – voor het eerst is dat meer dan de jaarlijkse wereldwijde productie.
Veel handel op financiële markten blijft binnen de financiële wereld rondgaan en staat ver af van de echte economie. Het gevolg: de prijzen van huizen, aandelen en andere beleggingen zijn veel harder gestegen dan de prijzen van consumptiegoederen. Tegelijk daalt het aandeel van arbeid in het nationale inkomen al jaren. Vermogen groeit harder dan inkomen. Een structureel kenmerk van hyperkapitalisme.
Elk van deze drie pijlers koopt tijd. Maar ze veranderen niets aan de onderliggende realiteit.
Problemen verschuiven in plaats van oplossen
De Duitse socioloog Wolfgang Streeck beschrijft in zijn boek Buying Time: The Delayed Crisis of Democratic Capitalism(2014)hoe het westerse kapitalisme sinds 1980 steeds weer overeind bleef, niet door problemen op te lossen, maar door ze door te schuiven. De rekening kwam telkens ergens anders terecht en steeds op grotere schaal. Dit leidt tot spanning tussen kapitaalopbouw en democratische legitimiteit, ofwel, tussen wat goed is voor vermogensgroei en wat maatschappelijk aanvaardbaar is.
Het patroon is opvallend als je achterom kijkt. In de jaren tachtig en de vroege jaren negentig werden lonen onder druk gezet door globalisering; de productiviteitswinst vloeide naar het kapitaal. In het decennium voor de financiële crisis van 2008 namen schulden de plaats in van lonen: toen de lonen niet meer stegen, gingen mensen schulden aan en dat hield de consumptie op peil. Na de financiële crisis werden private schulden publieke schulden: overheden namen de verliezen van het financiële systeem over. De gevolgen daarvan werden opgevangen door jarenlange bezuinigingen.
In de jaren tot 2020 werd de democratische legitimiteit van het systeem opgebrand door populisme, Brexit, handelsoorlogen en verstoorde verkiezingen. Allemaal gevolgen van de opgebouwde kosten van de vorige drie fases. Sinds 2020 zijn daarbij gekomen: een monetair beleid dat de duimen moet leggen voor het prijskaartje van de schulden, het bijdrukken van geld, meer deregulering en geopolitieke versnippering.
Wat deze fase anders maakt dan eerdere fases, is dat er geen duidelijke volgende stap meer is. Bij eerdere verschuivingen was er steeds een partij die de verschuiving op zich nam: bedrijven, huishoudens, overheden, politieke ondernemers. Deze keer raakt de druk het democratische systeem zelf. En het is minder dan ooit duidelijk wie er klaarstaat om de volgende rekening te dragen.
De fundamentele band die niet verdwijnt
Voor beleggers is de vraag wat er gebeurt als het verschuivingsmechanisme het begeeft. Want uiteindelijk blijven financiële rendementen afhankelijk van de echte economie. Aandelen geven recht op toekomstige winsten van bedrijven. Obligaties geven recht op toekomstige kasstromen. En die winsten en kasstromen komen uiteindelijk voort uit echte economische activiteit: uit arbeid, grondstoffen, natuur en sociale stabiliteit.
Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet op de termijnen die relevant zijn voor investeerders. Zo zie je op korte en middellange termijn nauwelijks het verband tussen wereldwijde economische productie en aandelenrendementen. Rendementen worden dan vooral bepaald door sentiment, door de hoeveelheid geld die beschikbaar is op de markt en door de drie hierboven genoemde pijlers. Sinds 1960 groeide het wereldwijde BBP per hoofd van de bevolking met 223 %, terwijl de S&P 500 Total Return index (die 500 grote Amerikaanse bedrijven bevat) steeg met ongeveer 61.000 %.
Dat lijkt te zeggen dat financiële markten losgezongen zijn van de echte economie. Maar dat is niet de juiste conclusie. Zo’n ontkoppeling kan lang duren, maar niet eindeloos. En als de correctie komt, gebeurt die vaak niet geleidelijk, maar heel snel. De obligatiecrash van 2022 was daar een voorbeeld van. Andere zijn hogere importheffingen, dalende waarderingen van private equity en verzekeraars die zich terugtrekken uit eigendom met grote klimaatrisico’s.
Wat betekent dit voor beleggers?
Veel beleggers vertrouwen op spreiding om risico’s te temperen. Maar spreiding werkt enkel wanneer risico’s niet aan elkaar gelinkt zijn. Terwijl systemische risico’s juist wel aan elkaar verbonden zijn. Dat hebben we gezien in 2008, 2020 en 2022. Op zulke momenten daalden aandelen, obligaties, vastgoed en opkomende markten vaak tegelijk. Een portefeuille met veel verschillende types beleggingen is dan niet automatisch veilig. De echte vraag is dus niet alleen óf je spreidt, maar waar je beleggingen op steunen.
Waarom kijken naar de echte wereld helpt
Hier zit een belangrijk voordeel van duurzaam beleggen, met aandacht voor wat je geld in de echte wereld mogelijk maakt (boven op het morele voordeel, dat spreekt voor zich). Kies je beleggingsproducten op basis van wat een bedrijf of project echt doet, en niet op basis van financiële constructies, dan zit je in een betere positie als het gaat om de drie eerder genoemde eroderende pijlers.
Ten eerste stel je je minder bloot aan het concentratierisico: je zit niet vast aan een beursindex die wordt gedomineerd door een paar grote techaandelen. Ook ben je minder afhankelijk van steun van centrale banken, omdat de waarde komt uit echte activiteiten, zoals energie-infrastructuur, sociale huisvesting of directe leningen. Die hoeven niet gestut te worden om hun waarde te behouden. Tot slot worden klimaatrisico’s en geopolitieke risico’s sneller zichtbaar, want begrijpen waar een bedrijf zijn geld mee verdient, is een vereiste voor duurzaam beleggen.
De vraag is wanneer
Klassieke investeerders zullen zich uiteindelijk aanpassen aan de nieuwe werkelijkheid. Dat doen ze altijd. De echte vraag is alleen: passen ze zich op tijd aan, op pas als de nieuwe realiteit al in de prijzen is verrekend?
Investeerders die al langer kijken naar wat hun geld in de echte wereld doet, staan sterker. Hun keuzes waren nooit gebaseerd op de steunpilaren om te beginnen. Ze zien de risico’s eerder dan de markten dat doen.
Drie aanbevelingen, in deze volgorde.Ten eerste, kijk waar je geld echt naartoe gaat. Vergeet ratings of labels, maar kijk naar de echte activiteit. Wie wordt er beter van? Wat wordt ermee opgebouwd of juist afgebouwd? Ten tweede, begrijp de risico’s voor ze in de prijs verrekend worden. Denk aan risico’s op het vlak van klimaat, geopolitiek, overheden en regelgeving. En ten derde, bouw aan veerkracht, niet alleen aan spreiding. De volgende correctie zal geen eenmalige schok zijn, maar een structurele verschuiving.
Elke stap werkt maar als je de vorige hebt gezet. Veel portefeuilles beginnen bij stap drie en slaan stap één en twee over. Geen wonder dat ze uiteindelijk zullen falen.
De spelregels van beleggen waren gemaakt voor een stabiele wereld. Die wereld bestaat niet meer.

Bedankt voor je reactie!
Bevestig je reactie door op de link in je e-mail te klikken.